MRI en beeldvorming bij een dementiediagnose
Welke beeldvormende technieken gebruikt een geheugenkliniek, wat zien we eigenlijk en hoe ondersteunt het de diagnose?

Beeldvorming is een vast onderdeel van de diagnostiek in een geheugenkliniek. Een MRI van de hersenen is meestal de eerste keuze; bij specifieke vragen volgen CT, FDG-PET, amyloïd-PET of DAT-SPECT. Elk type onderzoek heeft zijn eigen rol.
Wat doet beeldvorming precies? Twee dingen: andere oorzaken uitsluiten (tumor, hydrocefalus, infarcten), en het patroon van hersenveranderingen vaststellen dat past bij specifieke dementievormen — bijvoorbeeld atrofie van de hippocampus bij alzheimer, of frontale atrofie bij FTD.
In dit artikel leggen we uit welke onderzoeken er zijn, wat ze meten, hoe je je voorbereidt en wat je tijdens het onderzoek kunt verwachten. Voor een breder overzicht van het diagnostisch traject lees ook wat doet een geheugenkliniek.
Waarom beeldvorming?
Klachten over geheugen of denken kunnen vele oorzaken hebben — niet alleen dementie. Beeldvorming dient daarom twee primaire doelen.
1. Andere oorzaken uitsluiten
Een hersentumor, een chronisch subduraal hematoom (na een val), normale-druk hydrocefalus, multipele herseninfarcten of een ontsteking kunnen klachten geven die op dementie lijken — en die behandelbaar zijn. Een MRI of CT laat dit zien. In sommige gevallen wordt zo een operabele oorzaak gevonden in plaats van dementie.
2. Patroon van hersenveranderingen
Verschillende dementievormen geven verschillende patronen van hersenatrofie. Het herkennen van die patronen helpt om type dementie vast te stellen — wat consequenties heeft voor behandeling en prognose.
MRI: de gouden standaard
Magnetic Resonance Imaging is de voorkeursmethode voor dementiediagnostiek. Het gebruikt een sterk magnetisch veld en radiogolven om gedetailleerde beelden van hersenstructuur te maken.
Voordelen van MRI
- Hoge resolutie — zelfs subtiele atrofie zichtbaar
- Geen ioniserende straling
- Verschillende sequenties (T1, T2, FLAIR, DWI) tonen verschillende aspecten
- Onderscheidt grijze en witte stof goed
- Witte-stof afwijkingen — typisch voor vasculaire schade — zijn goed zichtbaar
Wat zien we op een dementie-MRI?
Een radioloog beoordeelt onder andere:
- Atrofie: krimp van bepaalde hersengebieden, vooral hippocampus en mediotemporale gebieden bij alzheimer
- Witte-stof afwijkingen: hyperintense plekken op T2/FLAIR die wijzen op kleinevatenziekte
- Lacunes: kleine oude infarcten
- Microbleeds: kleine bloedinkjes, soms wijzend op amyloïd-angiopathie
- Volume meting: sommige klinieken kwantificeren volumes met software
Beperkingen
MRI duurt 20-40 minuten, vraagt stilliggen, kan claustrofobie uitlokken, en heeft contra-indicaties bij bepaalde implantaten. Geluidsoverlast is aanzienlijk; gehoorbescherming wordt altijd gegeven.
CT: alternatief en spoed
Computer Tomography gebruikt röntgenstraling om dwarsdoorsneden van de hersenen te maken. CT is sneller dan MRI (5-10 minuten) en geschikt voor patiënten met MRI-contra-indicaties.
Wat CT goed laat zien: bloedingen, grote infarcten, tumor, hydrocefalus, schedelfracturen. Wat het minder goed laat zien: subtiele atrofie, witte-stof afwijkingen, vroege ischemische schade.
In de dementiediagnostiek wordt CT vooral gebruikt als alternatief voor MRI of bij spoed-vraagstellingen. Voor reguliere diagnostiek heeft MRI de voorkeur.
FDG-PET: glucoseopname
FDG-PET (Fluorodeoxyglucose Positron Emission Tomography) meet de glucoseopname in hersengebieden. Hersencellen die actief functioneren nemen meer glucose op; gebieden met verminderde activiteit (door cellen die afsterven) nemen minder op.
Wat zien we?
- Alzheimer: verminderde glucoseopname in temporopariëtale gebieden
- FTD: verminderde opname in frontale en/of temporale kwabben
- Lewy body dementie: verminderde opname in occipitale gebieden — een specifiek kenmerk
Wanneer ingezet?
FDG-PET wordt gebruikt bij diagnostische twijfel — als anamnese, NPO en MRI niet eenduidig zijn. Niet routinematig bij elke patiënt; selectief bij specifieke vragen. Een FDG-PET duurt ongeveer 1-2 uur (inclusief wachttijd na injectie van het tracer).
Amyloïd-PET en tau-PET
Sinds enkele jaren beschikbaar in gespecialiseerde centra: PET-scans die direct de eiwitafzettingen van alzheimer visualiseren.
Amyloïd-PET
Visualiseert amyloïd-bèta plaques — een handtekening van alzheimer. Een positieve scan ondersteunt alzheimer-diagnose; een negatieve scan maakt alzheimer onwaarschijnlijk. Vooral nuttig bij jongdementie of bij ongebruikelijke presentaties.
Tau-PET
Visualiseert tau-tangles. Correleert sterker met klinische symptomen dan amyloïd-PET. In Nederland nog vooral in onderzoek; klinisch beperkt beschikbaar.
Plasmamarkers als alternatief
Bloedtesten voor p-tau217 zijn in opmars en kunnen — bij verdere validatie — een minder belastend alternatief worden voor amyloïd-PET of liquoronderzoek. Niet overal beschikbaar in 2026.
DAT-SPECT bij Lewy body
Bij vermoeden van Lewy body dementie of parkinson kan een DAT-SPECT worden ingezet. Deze scan meet de aanwezigheid van dopaminetransporters in het striatum — typisch verminderd bij Lewy body en parkinson.
Een afwijkende DAT-SPECT bij dementie ondersteunt sterk de diagnose Lewy body dementie. Een normale DAT-SPECT bij parkinsonisme-achtige klachten kan andere oorzaken aanwijzen (essentiële tremor, vasculaire pseudoparkinsonisme).
Welke patronen zien we?
Alzheimer-patroon
Op MRI: mediotemporale atrofie — krimp van hippocampus en omliggende structuren. Vaak gradeerbaar via MTA-score (Medial Temporal Atrophy, 0-4). Op latere MRI: bredere temporopariëtale en uiteindelijk frontale atrofie.
Op FDG-PET: temporopariëtale hypometabolisme. Op amyloïd-PET: positief.
Vasculair patroon
Op MRI: witte-stof afwijkingen (white matter hyperintensities), lacunes, micro-infarcten, soms grotere infarcten. Schaal: Fazekas-score voor uitgebreidheid van witte-stof afwijkingen.
Op FDG-PET: meer diffuse, plaatselijke afwijkingen passend bij infarcten.
FTD-patroon
Op MRI: frontale en/of temporale atrofie, vaak asymmetrisch. Bij gedragsvariant FTD: voorkeur voor frontale gebieden. Bij semantische variant: typisch linker temporale atrofie.
Op FDG-PET: hypometabolisme in frontale en temporale gebieden, vaak vroeger zichtbaar dan structurele atrofie.
Lewy body patroon
Op MRI: relatief gespaarde hippocampus (in tegenstelling tot alzheimer), soms occipitale atrofie. Op FDG-PET: occipitale hypometabolisme (specifiek). Op DAT-SPECT: verminderde dopaminetransporters.
Wat merk je als patiënt?
Een MRI is niet pijnlijk maar wel bijzonder.
- U ligt op een uitschuifbare tafel die in de magneet schuift
- U krijgt gehoorbescherming (de scanner maakt harde, kloppende geluiden)
- U mag niet bewegen tijdens een opname (5-10 minuten per sequentie); tussendoor kunt u even adem halen
- De radioloog/MRI-technicus blijft via intercom in contact
- U kunt een noodbel hanteren als u zich onwel voelt
- Geen metaal mee in de ruimte (sieraden, brillen, gehoorapparaten — alles uit voor het onderzoek)
Een PET-scan is iets minder benauwend. U krijgt een radioactief gelabeld tracer (FDG of amyloïd-tracer) ingespoten, ligt 30-60 minuten te wachten zodat het opneemt, en wordt dan in een open scanner gescand. Stralingsdosis is laag — vergelijkbaar met enkele jaren natuurlijke achtergrondstraling.
Voorbereiding en contra-indicaties
MRI
- Vooraf invullen van veiligheidsvragenlijst over implantaten
- Geen voorbereiding qua eten/drinken nodig (tenzij contrast)
- Comfortabele, metaalvrije kleding aan; sieraden en metalen items uit
- Bij claustrofobie of angst: bespreek vooraf met het ziekenhuis
- Implantaatkaart of medisch paspoort meebrengen
Contra-indicaties MRI
- Niet-MRI-veilige pacemaker of ICD
- Cochleair implantaat (de meeste oudere modellen)
- Bepaalde clips, stents of fragmenten van metaal in lichaam
- Eerste trimester zwangerschap — voorzichtig (geen bewijs voor schade, wel voorzichtigheid)
FDG/amyloïd-PET
- 4-6 uur nuchter zijn voor FDG-PET (om glucoseopname goed te meten)
- Glucose niet te hoog (bij diabetes goed instellen)
- Geen contra-indicatie voor zwangere of borstvoeding gevenden — wordt vermeden
Veelgestelde vragen
Hoe lang duurt een MRI?
Een dementie-MRI duurt 20 tot 40 minuten. U ligt op een tafel die in een tunnel schuift. Het apparaat maakt veel lawaai (gehoorbescherming wordt gegeven). Stilliggen is belangrijk; bewegen vervaagt de beelden. Bij claustrofobie kan een open MRI of CT alternatief zijn.
Heb ik straling tijdens MRI?
Nee. MRI gebruikt een sterk magnetisch veld en radiogolven, geen ioniserende straling. Daarom is MRI bij voorkeur het beste; CT en PET-scans gebruiken wel straling.
Krijg ik contrastvloeistof bij een dementie-MRI?
Meestal niet. Standaard dementiediagnostiek gebeurt zonder contrast. Alleen bij specifieke vraagstellingen (vermoeden tumor, ontsteking, vasculitis) wordt gadolinium-contrast gebruikt. Bij verminderde nierfunctie wordt extra terughoudend met contrast omgegaan.
Wat als ik een pacemaker of stent heb?
Veel moderne pacemakers en stents zijn MRI-veilig, maar dit moet vooraf worden bevestigd. Breng uw implantaatkaart of medisch paspoort mee. Niet-MRI-veilige implantaten zijn een contra-indicatie; CT is dan een alternatief.
Wat als ik claustrofobisch ben?
Veel klinieken hebben open MRI-toestellen of bredere boring magneten. Bij ernstige claustrofobie kunt u vragen om een lichte sedatie. Een vertrouwde naaste mag soms in de ruimte blijven (mits zelf MRI-veilig). CT kan ook een alternatief zijn — minder detail, maar minder belastend.
Geeft MRI de diagnose?
Bijna nooit op zichzelf. MRI ondersteunt of weerlegt een werkdiagnose en sluit andere oorzaken uit (tumor, hydrocefalus, multiple herseninfarcten). Diagnose komt uit de combinatie van anamnese, neuropsychologisch onderzoek, beeldvorming en eventueel biomarkers.
Worden de beelden besproken?
Een radioloog beoordeelt de beelden en schrijft een verslag. De neuroloog of klinisch geriater bespreekt de bevindingen met u. U kunt vragen om een uitleg met de beelden erbij — dat helpt vaak om concepten zoals atrofie of witte-stof afwijkingen te begrijpen.
Conclusie
Beeldvorming is een belangrijk maar nooit op zichzelf staand onderdeel van dementiediagnostiek. MRI is in vrijwel alle gevallen het startpunt; aanvullende PET-scans of DAT-SPECT volgen alleen bij specifieke vraagstellingen. Goede beeldvorming helpt om dementie correct te typeren — wat consequenties heeft voor behandeling en prognose.
Bezorgd over een aanstaande MRI? Bespreek vooraf eventuele zorgen met de geheugenkliniek of de afdeling radiologie. Voor het volledige diagnostisch traject lees wat doet een geheugenkliniek. Vind een geheugenkliniek bij jou in de buurt en bekijk welke beeldvormende onderzoeken zij aanbieden.

